Op 1 september 2025 rolde het nieuwe Beroepsprofiel Muziek van de pers. Het bestaat uit een powerpoint van 14 slides die een heel schematisch beeld van het beroep musicus geeft.
Het primaire (wettelijke) doel van een beroepsprofiel is om een basis te geven waarop de opleidingen vormgegeven kunnen worden. Door met elkaar (‘het veld’) te bepalen wat een musicus is, kunnen de opleidingen zo worden ingericht dat de studenten voor dat beroep goed opgeleid worden. Een secundair doel van een beroepsprofiel is dat je aan de maatschappij: de politiek, de sociale partners, en de doelgroep van het vak – in ons geval ons publiek en leerlingen – kan laten zien waar je als professional voor staat. Zie ook een eerder artikel over het beroepsprofiel.
Daarom hierbij de vraag: voldoet dit nieuwe Beroepsprofiel Muziek aan die doelen?
Het proces
Voor de ontwikkeling van het nieuwe beroepsprofiel was Bureau &Maes in de arm genomen door het Netwerk Muziek, de organisator en initiator van het beroepsprofiel. In het Netwerk Muziek zitten de directeuren van de conservatoria.
Begin 2025 werd BvM uitgenodigd voor een on-line gesprek met &Maes over ons beeld van de musicus. Wilco van Wee (EGTA) en Fleurine Verloop (BiMpro) deden daar aan mee, en hebben het lesgevende aspect van het beroep centraal gezet. Dit vooral met het oog op de internationalisering van de opleidingen. Ze hebben daar ook benadrukt dat het belangrijk is dat ook de internationale studenten Nederlands leren spreken en daardoor aansluiting kunnen vinden op de lesgevende beroepspraktijk. Daarna organiseerde &Maes enkele ‘werkplaatsen’ waar verschillende partijen op locatie met elkaar in gesprek gingen over wat het beroep musicus inhoudt. Er waren directeuren van podia, festivals, opnamestudio’s, concoursen maar ook individuele musici uitgenodigd. Leden van BvM (naast EGTA en BiMpro ook NVZ en Fagotnetwerk) hebben aan twee van deze werkplaatsen deelgenomen. Ook hier was ons doel om het lesgeven als een belangrijke pijler in het profiel te krijgen.
Het resultaat
De basis van het nieuwe profiel, na de inleiding op de tweede slide, bestaat uit vijf kernkwaliteiten die naast elkaar staan en dus kennelijk even zwaar wegen.

Op de volgende drie slides worden deze kernkwaliteiten kort toegelicht, waarbij ‘adaptief en wendbaar’ de meeste tekst krijgt (stokpaardje van Lies Colman, directeur KC). Vervolgens wordt er in vier slides ingegaan op trends en ontwikkelingen: maatschappelijk, hybridisering, internationalisering, verdienmodellen en technologie. Goed dat bij ‘maatschappelijk’ het belang van permanente educatie genoemd wordt. Jammer dat bij internationalisering niet genoemd wordt dat de internationale studenten door goed Nederlands te leren een plek kunnen vinden in de muziekeducatie. Het woord ‘les’geven komt in het hele document twee keer voor, ‘educatie’ een keer, en ‘docent’ en ‘docerend’ ook een keer. Dat is stukken beter dan het vorige beroepsprofiel.
Het document sluit af met een overzicht van de verschillen tussen de beroepsprofielen van 2016 en 2025 en een lijst met namen van bijlagen. Toen ik vroeg of ik die bijlagen kon krijgen was de reactie negatief.
Hoofd- of bijzaken?
Opvallend aan dit beroepsprofiel is de platte structuur: alles lijkt even belangrijk. De inhoud van het ‘vakmanschap’ wordt kennelijk als bekend beschouwd en is van het zelfde niveau als ‘adaptatie en wendbaarheid’. Duidelijk wordt dat het vak musicus breed is en vele facetten kent. Wat mij betreft had daar echter meer hiërarchie in gemogen, zie daarvoor het vorige artikel.
Voor de opleidingen
De vijf kernkwaliteiten zoals nu geformuleerd zullen in de opleidingen tot kernvakken moeten worden gesmeed. Nu weten we allemaal dat je als student (en later als pro) uren per dag moet studeren om een perfect musicus te worden. Daarnaast horen vakken als muziekgeschiedenis, theorie, methodiek en didactiek, ensemble klassen, arrangeren, een bijvak als piano en nog een paar bijvakken tot het basispakket om de kernkwaliteit ‘artistiek vakmanschap’ te kunnen behalen. Nu moet er dus ook een kernvak ‘adaptiviteit & wendbaarheid’ komen. Ik ben benieuwd wat dat voor lessen gaan worden. Logischer lijkt me dat in verschillende projecten (met als primaire kernkwaliteit de muzikale ontwikkeling) subkwaliteiten als adaptiviteit en wendbaarheid als een van de vele beoordelingspunten gecheckt worden. De ‘autonomie’ van de student kan in zo’n zelfde setting getoetst worden, en verdient wat mij betreft ook geen status als kernkwaliteit. Het zelfde geldt voor ‘cross-disciplinair’ te werken. Dat ondernemerschap een kernvak wordt lijkt me wel nuttig: niet alleen als uitvoerder maar ook als lesgever.
Door de kernkwaliteiten zo plat en breed en in toch wel hele algemene termen voor te stellen, kunnen de opleidingen alle kanten uit. En daarbij dus ook makkelijk een belangrijke kernkwaliteit als lesgeven van de wagen te laten vallen. Het dilemma van de internationalisering van de opleiding, en het gebrek aan Nederlands sprekenden nieuwe muziekdocenten zal een actiepunt blijven.
Conclusie
Het nieuwe beroepsprofiel heeft lesgeven een iets prominentere plek gekregen, en in de juiste context. Het laat ook zien dat het beroep musicus uit heel veel verschillende aspecten bestaat, en het vak musicus voor zeer veel uitdagingen staat. Om die te kunnen ondervangen moeten de opleidingen nu extra kernvakken ontwikkelen die lastig te toetsen zijn, en wellicht de kern van het vak doen ondersneeuwen: een specialist zijn op je instrument en dat aan anderen kunnen doorgeven door goed les te kunnen geven.
Willemijn van Gent









